Meester Papiermaker Marten Orges

Wie Marten Orges was en waar hij vandaan kwam, is nog steeds een raadsel gebleven. Hij is waarschijnlijk omstreeks 1570 geboren en trouwde, vermoedelijk kort voor 1600, met Geertje Schut, die toen weduwe was van Jacob Marcus. Uit Geertjes eerste huwelijk stamt de zoon Jacob; uit haar huwelijk met Marten Orges kwamen de zonen Daniel en Paul. Marten Orges overleed op 9 sept. 1626; zijn vrouw was in 1637 nog in leven. In de kerk van Beekbergen staat op de bekende grafzerk het huismerk van de familie Schut de kruisboog en het huismerk van Marten Orges, met de letters (" F"), “M” en “O”,

"ANNO 1626 DEN 9 SEPTEMBER IS IN DE HERE GHERUST MEISTER MARTEN ORGES DEN OLSTEN PAPPYERE MAECKER GHEWEST IN GELDERLANDT" 

Het opschrift heeft aanleiding gegeven tot allerlei speculaties. Het is onwaarschijnlijk, dat hij de oudste in leeftijd was en het was iedereen bekend, dat er in Gelderland ook papiermolens waren, voordat Marten Orges de molen van het Sint Peters Gasthuis pachtte. Toch kan de met zoveel overtuiging in de steen gehouwen tekst niet zonder meer ter zijde geschoven worden. Zou Marten Orges die regelmatig meester papiermaker wordt genoemd, niet als deskundig meesterknecht gewerkt kunnen hebben in de eerste Gelderse molen van de familie van Aelst? De grafzerk dateert vermoedelijk niet van 1626; wanneer deze is geplaatst, weten we niet. De herkomst van Orges is het onderwerp van veel gespeculeer geweest. Rietstaps Armorial noemt een Frans geslacht Orges in Artois, maar Orges schreef zijn naam met Duitse letters en noemde zich ‘Pampiermacher’. Uitgaande van het vermoeden, dat de naam Orges is genoemd naar een Zwitserse dorpje Orges (kanton Waadt of Vaud, bij Yverdon) zou men kunnen aannemen dat daar misschien een aanknopingspunt ligt, maar daar gaan de archivalia niet ver genoeg terug. Het lijkt echter mogelijk, dat Marten eind 1598 als Zwitserse soldaat naar Gelderland is gekomen en na de slag bij Nieuwpoort in oktober 1600 werd gepaspoteerd. Dat zou echter de titel ‘olste pappyeremaecker’ nog steeds niet verklaren.

De kinderen nemen de naam Schut van de moeder aan

Dat zijn nakomelingen moeders naam Schut als familienaam hebben gevoerd, was in die tijd weliswaar niet geheel ongebruikelijk, maar doet toch vermoeden, dat Geertje Schut over het geld en Marten Orges over het vakmanschap beschikte. Spoedig breidde Marten Orges zijn bedrijf uit, door in 1606 onder zijn papiermolen een tweede molen te stichten, de latere Ruitersmolen. Namen hadden de molens destijds niet: de vroegere volmolen werd aangeduid als Grote Molen (Tullekensmolen), de lager gelegen tweede papiermolen werd de Kleine Molen (Ruitersmolen) genoemd. Beide molens werden door Marten Orges en Geertje Schut zelf beheerd.

Ook voor de kinderen was gezorgd. Orges stiefzoon Jacob Jacobs kwam op de oude Molen, waarvoor Marten Orges in 9 februari 1613 ten behoeve van zijn stiefzoon het water in erfpacht kreeg. Maar op 4 mei 1613 gaven de geërfden van de Ugchelse Mark aan Jacob Jacobs en Jenneken Reijntgens toestemming om een papiermolen te bouwen op eigen kosten. Op 7 december 1639 krijgt Jacob Jacobs het waterrecht om een kleine papiermolen te bouwen (de Hammermolen). Jacob Jacobs en zijn vrouw Jenneken Reijnders verklaren op 10 oktober 1644, dat zij van de geërfden van de Ugchelse Mark de erfpacht verkregen hadden van een “ledige plaetse” teneinde daarop een nieuwe papiermolen te timmeren. Op deze plek is toen de Nieuwe Molen gebouwd, later het Voorslop geheten in Ugchelen. In 1648 hield Jacob Jacobs het voor gezien en ging rentenieren. Orges oudste eigen zoon, Daniel Martens, stichtte in 1618 de tweede Bazemolen (Ugchelen) en kocht in 1623 de papiermolen van Casper Weydeman.

Orges tweede zoon, Paul Martens, heeft kort voor de dood van zijn vader in 1625 van de boekverkoper Jan Jansen diens papiermolen op klein Hattem (Ugchelen) gekocht.

Het Proces

In 1622/1625 was Marten Orges in een proces gewikkeld met de huismeesters van het Sint Peters Gasthuis. Daar is heel veel papier aan te pas gekomen. Die papieren zijn bewaard gebleven en men kan ze vinden in het rijksarchief in Arnhem. Een van die papieren is een verslag van Jonker Diederick van Essen, die met Jonker Reinolt van Sallent samen met de onderschout en kerkmeester van het karspel Beekbergen een bespreking hebben met de geërfden van de Marke. Zij verklaren dat in het jaar 1606 in algemeen holtgerecht is bepaald en goedgekeurd, dat aan Marten Orges verpacht wordt een plaats voor een nieuwe papiermolen, met goedkeuring en volmacht van het Sint Peters Gasthuis in Arnhem. Hier wordt dus ook het jaartal 1606 genoemd. Meester Marten Orges heeft pacht betaald tot 1621, vanaf 1610 hebben de erfgenamen hem uitstel gegeven. We zijn nu een jaar verder, en de pacht is blijkbaar niet betaald. En nu vinden de erfgenamen dat het nodig is een nieuwe pacht overeen te komen. Het gasthuis moet zijn rechten hebben, zeggen ze. Ondertekend hebben: Diederick van Essen; Reyner Reynersen, Rijck, Jansen, en dan zes mensen die niet kunnen schrijven, maar hun “Mark” hebben gezet, dat zijn Karst Jansen, Onderscholtes tot Beekbergen Henrijck Lutges, Hindrik Lubbes, Reynder Harmens, Korneles Dyrck en Bastyannys tot Lyeren.

Een verslag van de heren Bommel en Kaldenbach

Deze zijn in Beekbergen geweest uit naam van het gasthuis in Arnhem. De huismeesters hebben hun hart gelucht: door het “stouwen komt het water niet bij de korenmolen” (gasthuismolen). En ook de sprengen worden “gedempt en versmoort”. Ze vinden dat de molens moeten worden afgebroken of buiten werking gesteld, ook omdat de pacht al jaren is afgelopen. Omdat hun vader afwezig is, doen de zoons het woord namens hem. Ze zeggen dat het nadeel dat de huismeesters ondervinden, niets dan nijd en afgunst is. Ze bieden namens hun vader aan een pomp naast de schutten te zetten op hun kosten en die een week of zes te laten lopen. Als er dan meer water op de korenmolen komt dan beweerd wordt, willen ze de molens afbreken. De huismeesters blijven echter bij hun standpunt, en denken dat er door al dat gepomp weinig verbetering te merken zal zijn; het water zal zich verder verbreiden. De commissieleden hebben toen geprobeerd de partijen er toe te brengen langs vriendschappelijke weg de zaak op te lossen. Zij stelden voor een zeker grenspeil vast te stellen. Marten Orges zou het water niet boven het peil laten komen, anders zou hij een boete moeten betalen. Bovendien zou hij zijn pacht aan het gasthuis redelijk verbeteren. De huismeesters hebben er niet veel oren naar en zeggen het voorstel aan hun principalen te zullen rapporteren. De zoons van Marten Orges willen alles ter kennis brengen aan de heren van het hof en de heren commissarissen. De volgende dag komen er nog “drie Huisluiden” klagen dat ze last van het stuwen van de beek hebben, maar daar wensen de commissieleden zich niet mee bezig te houden. Dit hele proces gaat over twee molens, de grote molen (Tullekensmolen) en de kleine molen (Ruitersmolen).

Mr. Jan Everts en Hermen Hendrikx, timmerlieden, verklaren op verzoek van Marten Orges, dat zij, behalve de molen van Orges, o.a. ook zes in de omgeving liggende papiermolens getimmerd hebben en zij geven te kennen, dat de Gasthuismolen te Beekbergen geen hinder kan hebben van de daar boven gelegen papiermolen van Marten Orges. Zij verklaren ook dat de Beekbergense beek een hardlopende beek is.

De uitspraak van het proces, dat drie jaar duurde van 1622/1625, is dat Marten Orges wordt veroordeeld de grote molen te verlaten (Tullekensmolen) en een nieuwe pachtregeling te treffen en bij de kleine molen de stuwen op te nemen, en het water zijn vrije loop te laten. De Tullekensmolen komt dus buiten werking, maar wordt niet afgebroken. Twee jaar later, in 1627, komt het tot een rechtsgeding tussen het hof en het Sint Peters Gasthuis. Het hof is er namelijk achter gekomen dat de huismeesters het water van de Beekbergense beek helemaal niet mochten verpachten. Wel hadden ze rechten voor de korenmolen (Gasthuismolen) en de grote molen (Tullekensmolen), maar verder niet. Jammer dat Marten Orges dat niet heeft mogen beleven, hij is op 9 september 1626 overleden.

In 1629 krijgen de weduwe van Marten Orges, Geertje Schut, en zijn kinderen de waterpacht van de beek voor de kleine papiermolen.